Men gebruikt twee kanalen, een voor de rechterzijde en een voor de linkerzijde. Twee kleine positieve elektroden worden met een vingerbreedte afstand aan weerszijden van de kleine beenuitsteeksels op het reliëf van de spieren geplaatst, ter hoogte van de twee laatste lendenwervels L4. Twee kleine negatieve elektroden worden op twee vingerbreedten boven het reliëf van de paravertebrale spieren geplaatst (zie tekening nr. 12).